Groene.nl gebruikt cookies om het websitegebruik geanonimiseerd te analyseren en noodzakelijke functionaliteiten zoals inloggen mogelijk te maken. Groene.nl gebruikt geen cookies voor advertenties en deelt geen informatie met adverteerders of social media platformen. Meer informatie is beschikbaar in onze privacy- en cookieverklaring.
De grenzeloze Dionysus lijkt de cultuurstrijd met de verfijnde Apollo te verliezen, op alle fronten. Toch blijft de hang naar roes en controleverlies groot.
13 juli 2022 – verschenen in uit nr. 28-29
Mijn eerste ontmoeting met Dionysus was kort na de Bijlmerramp. Zo herinner ik het mij althans: een vliegtuig veranderde de galerijflats in een brandend inferno, en de dag erna zaten wij in de bus voor onze Romereis. Eerste halte: Florence.
Onze ouders hadden een brief gekregen. In Rome zouden sommige leerlingen – we waren zestien, zeventien jaar – voor het eerst alcohol drinken, dus was het raadzaam om alvast te oefenen met kleine hoeveelheden. Ja, de tijden zijn wel veranderd. Verantwoord indrinken met je ouders is er niet meer bij. Nu, dertig jaar later, sturen ze leerlingen linea recta naar huis als ze die betrappen op maar het geringste blikje bier.
Dionysus bleek een tikje verwijfd, in dat museum in Florence. Met zijn guitige druiventrossen op z’n hoofd proostte hij ons toe met een schaal wijn, wankelend tegen een geniepig satertje geleund, alsof hij elk moment achterover kon kukelen en uiteenspatten in honderden brokken van het marmer waaruit Michelangelo hem had bevrijd.
Toch had hij, bezien door onze benevelde puberbreinen, wel iets weg van onze ultieme god: Jim Morrison. De film The Doors (1991) van Oliver Stone was het jaar ervoor verschenen en had voor een wederopstanding gezorgd van de rockster-sjamaan, in elk geval in het groepje Leidse gymnasiasten waar ik mee optrok. Zonder meer was ‘Jim’ onze gedroomde incarnatie van Dionysus.
We proostten ’s avonds terug met de goedkoopste wijn die we van ons dagelijkse zakgeld konden krijgen. In de buurtwinkeltjes verruilden we onze lires voor literpakken Liebfraumilch. I don’t know what’s gonna happen, man. But I wanna have my kicks before the whole shit-ass goes up in flames! Al die jaren Tacitus, Ovidius en Cicero, maar oog in oog met de Oudheid was Jims raaskal-poetry ons levensmotto en refrein. De wereld stond in brand – nou ja, in elk geval de Bijlmer – en wij joegen de extase na in de Eeuwige Stad.
We kenden de schaduwkanten van de drank. Het schooljaar was op de verschrikkelijkst denkbare manier begonnen. Die zomer was een meisje van ons jaar door een dronken automobilist in Frankrijk geschept en overleden. Het was gebeurd op vakantie met een groep klasgenoten, waarvan er eentje zwaargewond was geraakt.
Die schaduw hing over de Romereis. Ik dweepte in die tijd veel met Nietzsche, de filosoof met de hamer en zijn wat hysterische redeneertrant waar je als adolescent gemakkelijk door begeesterd kunt raken, zonder het allemaal precies te begrijpen. ’s Avonds, boven aan de Spaanse Trappen, bezaaid met uitgelaten leeftijdsgenoten van andere scholen op Romereis, meende ik eindelijk iets te doorvoelen van de wereld van Götterdämmerung, de ‘dionysische toestand’, ‘oergrond van de wereld’, de vitale roes die onlosmakelijk verbonden is met het besef van vergankelijkheid, waaraan in deze stad sowieso al niet viel te ontsnappen.
In De geboorte van de tragedie (1872) klonk het: ‘We moeten inzien dat alles wat ontstaat tot smartelijke ondergang bereid moet zijn; we worden gedwongen de verschrikkingen van de individuele existentie onder ogen te zien – maar van schrik verstijven doen we niet, want een metafysische troost rukt ons voor een moment weg uit het gewoel van vluchtige gestalten.’
Zelf schijnt Nietzsche het bij melk en water te hebben gehouden, maar ik kreeg pas via de alcohol zo’n blik in de afgrond, die tegelijkertijd de ‘onmetelijke oerlust van het bestaan’ aanwakkerde.
Sindsdien heb ik altijd een ingewikkelde band met Dionysus gehouden. Ik was erg gecharmeerd van het idee achter de Deense film Druk (2020). Volgens een wetenschapper zou onze soort permanent een klein promillage alcohol in ons bloed moeten hebben om beter te kunnen functioneren.
Dat vermoeden heb ik ook vaak. Je zou door de wereld moeten kunnen lopen in die lichte roes van een of twee glazen witte wijn. In de film van Thomas Vinterberg besluit een groep uitgebluste middelbare-schooldocenten dit in de praktijk te brengen. Natuurlijk gaat het mis, maar in eerste instantie leven alle personages op: ze geven begeesterd les, veranderen in vitale vaders die met hun gezin op kanotochtjes gaan, ze lachen, worden open, spontaan.
Mis gaat het pas als ze besluiten ook eens het maximale promillage uit te proberen. Zoals het ook ontspoort bij de studenten uit The Secret History (1992), Donna Tartts everseller, die een dionysisch ritueel uitvoeren dat ontaardt in moord en doodslag. Maar zelfs zonder zo’n exces op te zoeken weet elke drinker dat het schier onmogelijk is het bij de lichte nevel van een microdosering te houden.
Raak is het mechanisme door Adri van der Heijden beschreven in Asbestemming (1994): ‘Geen drinker wil stomdronken worden. Hij wil de roes, die na een beperkt aantal glazen in hem is neergedaald, vasthouden zoals die nu is, en hij doet dat door de bereikte euforie te conserveren – met een volgend glas. Hij vernist, verguldt als het ware zijn roes met een glas dat al niet meer tot de roes bijdraagt. In dit laatste glas, dat telkens weer door een nieuw vervangen wordt, meent de drinker een soort pas op de plaats te maken: zijn begeerde gelukzalige stemming is voltooid, hij hoeft alleen deze volmaakte staat te houden.’
In interviews zegt Vinterberg dat hij aanvankelijk een lofzang op alcohol wilde maken. Zo gortig werd het uiteindelijk niet, maar het is allerminst een waarschuwend Sire-spotje. In de slotscène drinken de docenten mee met een uitzinnige caravaan eindexamenleerlingen en toont geschiedenisleraar Martin (Mads Mikkelsen) zijn vroegere dansskills, die eindigt in een sprong richting het water. De film stopt midden in zijn zweefduik: Nietzsche’s dionysische danser in zijn meest recente incarnatie.
Het dionysische is voor Nietzsche de tegenhanger van een andere geesteshouding en cultureel vormende kracht: het apollinische, het verstandelijke, het geciviliseerde, het getemde. Apollo is de god van de wetmatigheden, regels en grenzen; Dionysus die van de roes, de drift, de grenzeloosheid.
En onze beschaving is naar de apollinische pool ‘doorgeschoten’, zoals we dat tegenwoordig zouden noemen. ‘Heel onze moderne wereld zit gevangen in het web van de alexandrijnse cultuur’, klaagt Nietzsche. ‘Haar ideaal is de met de meest verfijnde kennisvermogens toegeruste, in dienst van de wetenschap werkende, theoretische mens, wiens prototype en stamvader Socrates is.’
Anderhalve eeuw later staan we er niet veel beter voor. Een van de tegenstrijdigheden van onze tijd die mij verbaast, is dat het er gelijktijdig eentje van verharding als van verzachting is. Verruwingen en bedreigingen gaan hand in hand met de stimulans om zoveel mogelijk van je onvolkomenheidjes wereldkundig te maken (jezelf ‘kwetsbaar opstellen’), afwijkingen te benoemen en uit te dragen, het anders-zijn is iets om vooral te vieren (‘dapper’).
Maar kijk je hiernaar vanuit dat contraire godenpaar, dan zijn die verweking en die verharding allebei uitingen van een en hetzelfde onderliggende fenomeen: individualisme. Volgens Nietzsche is dat een apollinisch proces. Met sterk afgebakende identiteiten verbrokkelt de gemeenschap tot een verzameling clans die de eigen grenzen streng bewaken en verdedigen met starre doctrines.
Het was de echtgenote van Thomas Vinterberg die hem er bij het zien van de film op wees waar Druk in essentie over gaat: controleverlies. Daar bestaat in onze samenleving een enorme hunkering naar, maar de mogelijkheid ertoe is beperkt.
Behalve een maatschappij van individualisering zijn we er eentje van beheersing, controle, van het elimineren van het onvoorziene. We zijn hiermee veranderd in een ‘palliatieve maatschappij’, beweert de Duits-Koreaanse, sterk door Nietzsche beïnvloede filosoof Byung-Chul Han. Tijdens de coronapandemie publiceerde hij een essaybundel over pijn, die dit voorjaar in het Nederlands verscheen. Hans diagnose: we zijn algofoob, lijden aan pijnvrees, en hebben daarom het leven veranderd in alleen het naakte overleven, waaraan alle vitale impulsen zijn opgeofferd.
Verdoofde controlfreaks, dat zijn we: ‘Het leven wordt gereduceerd tot een biologisch proces, dat geoptimaliseerd moet worden. Het verliest elke metafysische dimensie. Self-tracking wordt een cultus. De digitale hypochondrie, de permanente zelfmeting met gezondheids- en fitness-apps degradeert het leven tot een functie. Het leven wordt van elk zingevend narratief beroofd.’
Bij mijn tienjarige dochter merkte ik dat ze haar vriendinnen nooit opbelt, maar altijd spraakberichten stuurt via WhatsApp. Ook als de ander online is en dus elke audioboodschap binnen tien tellen beantwoordt met een nieuw monoloogje.
Navraag leert me dat dit allang overal zo is. In de Netflix-serie Drôle zag ik ze het ook allemaal zo doen. De dialoog is veranderd in brokjes alleenspraak, waarbij je niet in de rede gevallen kunt worden. Het achterhaalde telefoongesprek schurkte dichter tegen Dionysus aan: je had minder controle over het gesprek, dat dreef op onverwachte impulsen, een eigen dynamiek. Apollo maakt autonome eilandjes van onze smartphones en biedt ons maximale beheersing, een grens tussen het ene subject en het andere, en we noemen dat vrijheid.
Laatst belandde ik op een vrijdagavond bij de Zuidas, twintig minuten te vroeg voor mijn trein vanaf Amsterdam-Zuid. Ik had met een vriend gegeten in de Pijp. Laten we zeggen dat ik er die twee spreekwoordelijke glazen bij had gedronken. De hele omgeving was verduisterd en spookachtig uitgestorven, maar alleen uit één café onder in een kantoortoren klonk muziek en dromde een menigte samen. Ik nam er één zo’n laatste glas om de euforie te vergulden. Jonge juristen, in Suitsupply-pakken en Zara-zomerjurkjes, wervelden rond, blèrden met de muziek mee, dansten en schreeuwden.
Je kunt het als symbolisch zien voor onze hele uitgaanscultuur. Er is nog één plekje waar Dionysus macht heeft, één hoekje, streng afgescheiden van de werkweek en de kantooruren, waarin maximale prestatie, zelfbeheersing en controledwang geëist wordt van deze werknemers, allemaal eind twintig, begin dertig. Apollo en Dionysus zijn in onze cultuur strikt van elkaar gescheiden, als het mannetje en het vrouwtje van een Zwitsers weerhuisje die nooit samen de veranda mogen delen. Nietzsche ziet ze liever wel samenkomen. Je moet niet blijven hangen in ‘dionysische barbarij’, de roes en het bewustzijn moeten elkaar in evenwicht houden.
Byung-Chul Han klopt voor de remedie bij nog weer een andere Griekse god aan, Eros. In De terugkeer van Eros (2013) ziet hij de film Melancholia (Lars von Trier, 2011) als een diagnose van ons ‘depressieve prestatiesubject’, dat alleen overwonnen kan worden door de overgave aan ‘het andere’, ‘het negatieve’, dat hier de ultieme vorm aanneemt van een apocalyptische dreiging. Zo’n overgave, een ontvankelijkheid voor het onbeheersbare, noemt Han de kracht van Eros, maar ik heb het idee dat dit min of meer synoniem is met onze Dionysus.
Toch heb ik mijn twijfels. We zijn sinds die film onderhevig aan de ene apocalyptische dreiging na de andere – klimaat, virus et cetera – en onze respons erop is telkens verre van erotisch. Eerder duwt het onheil alle kliekjes, bendes en fracties, van wappie tot woke, dieper hun frigide doctrines in, veilig onder Apollo’s starre lier.
Hoe krijgen we Apollo en Dionysus meer met elkaar in balans? Drinken onder werktijd lijkt niet het meest adequate antwoord. Het zal hoe dan ook neer moeten komen op een veranderde mentaliteit, het leren loslaten van zekerheden en onhoudbare beheersingsdrang.
Wat hiervoor een gezonde katalysator kan zijn is humor. Daaraan ontbreekt het nogal eens in al die gefragmenteerde groepen die allemaal hun eigen dogma’s hebben. Of je nu bij de woke-beweging komt kijken, bij Forum-bijeenkomsten, bij klimaatactivisten, GroenLinks-meet-ups, boerenprotesten, geradicaliseerde yogamoeders: overal hangt een atmosfeer die een beetje doet denken aan religieuze jongerendagen.
In zijn verzamelde essays Over de romankunst noemt Milan Kundera zulke humorloze figuren ‘agelasten’, een door Rabelais gemunt neologisme. Zo iemand weet zeker dat ‘de waarheid duidelijk is, dat alle mensen hetzelfde moeten denken en dat hij zelf precies is wat hij denkt te zijn’.
De Britse socioloog Michael Billig bedacht in 2005 het woord ‘unlaughter’ voor de gekrenkte, verontwaardigde reactie op een grap. Zie de recente relletjes rond transgendergrappen van Ricky Gervais of Bill Burr. Naarmate de maatschappij in meer rigide groepjes en losse bubbels uiteenvalt, krijg je meer ‘unlaughters’ en heeft elke groep uiteindelijk zijn eigen grap.
In zijn roman Herfstdraad beschrijft Jamal Ouariachi zoiets, als de hoofdpersoon een woke-bijeenkomst bezoekt, waar de leidster tekeergaat tegen crèches met yogalessen, hipsterkoffiebars en andere symbolen van de witte elite. ‘Er wordt door het publiek hard gelachen om deze voorbeelden. Nu wel. Raar gevoel voor humor hier.’
De humor waar Kundera op doelt, en die hij zelfs de essentie van de Europese romankunst noemt, heeft een heel ander karakter. In Verraden testamenten probeert hij die te definiëren en dat doet hij in bewoordingen met een onmiskenbaar nietzscheaanse echo. ‘Humor: de goddelijke bliksem die de wereld onthult in zijn morele dubbelzinnigheid en de mens in zijn diepgaande onvermogen om te oordelen over anderen; humor: de roes van de betrekkelijkheid van al het menselijke; het vreemde genoegen dat voortkomt uit de zekerheid dat er geen zekerheid bestaat.’
Kundera bejubelt hier een specifiek soort humor, die net als de dionysische extase een blik in de afgrond geeft en zekerheden en grenzen verpulvert, met een vitale roes als reactie. Kundera heeft het over auteurs als Rabelais, Cervantes, maar noemt ook Kafka en Salman Rushdie.
De dionysische lach kegelt alle grenzen juist aan gruzelementen en zorgt zo voor verbinding: we zijn allemaal armzalige stervelingen op weg naar onze dood. Probeer maar eens een hekel te hebben aan iemand met wie je gelijktijdig om dezelfde grap schatert. De lach slaat de wand tussen jou en de anderen eventjes aan gruzelementen. Dat houdt een cultuur vitaal en voorkomt verstarring in steriele vormen en lege, niet meer doorvoelde wetten van de apollinische ratio.
In zijn Jeruzalemrede uit 1986 zegt Milan Kundera het sterk, in bewoordingen die ook vandaag nog houtsnijden. De roman heeft een verbeeldingsruimte weten te scheppen ‘waarin niemand de waarheid in pacht heeft en ieder het recht heeft begrepen te worden’. Humor is daarvoor het instrument. Het verbrijzelt de grenzen en geeft er een nieuwe gemeenschappelijkheid voor terug: het besef dat we allemaal maar stakkers zijn tussen geboorte en graf.
Hoeveel romanschrijvers zullen zoiets nu nog als ideaal hebben? De roman wordt in toenemende mate ingezet als vehikel van zelfexpressie, of van ‘een stem geven aan’, een emancipatoir ijsfonteintje om iedereen die ongezien en ongehoord is feestelijk mee in het zonnetje te zetten. Ik zou zeggen: je bent pas echt onderdeel van de samenleving als je het voorrecht hebt om uitgelachen te worden.
Waar ‘ontregelen’ en ‘grenzen verleggen’ ooit haast plichtmatig het doel was van elke kunst, zijn er nu sensitivity readers om tere zieltjes te beschermen, willen romanciers vooral empathie en begrip vergroten en geldt het opvoeren van personages buiten je eigen groep als cultural appropriation.
Grensdoorbrekende humor staat niet aan de kant van de empathie. Dat legde Henri Bergson al uit in Le rire (1900): voor het lachen was een ‘tijdelijke verdoving’ nodig van ‘het hart’. Maar het onze is alleen maar gevoeliger geworden. Volgens Byung-Chul Han lijden wij, hypersensitieve laatmoderne mensen, aan een ‘prinses-op-de-erwt-syndroom’.
Het zijn barre tijden voor Dionysus. Teruggedrongen in ondergrondse schuilhoekjes flakkert hij in vakanties en weekenden nog wat op. Een waakvlammetje, maar er zal een dag komen dat hij schaterend wraak neemt op Apollo. De wereld staat nog steeds in brand. Nu wij nog.
De Groene Amsterdammer is sinds 1877 het weekblad voor onafhankelijke, kritische en betrokken denkers. Lees en steun De Groene nu 10 weken voor slechts €15. Het proefabonnement stopt automatisch.
Bent u al abonnee? Log in.
Lees en steun De Groene Amsterdammer 10 weken voor €15. Lees en steun